De hangjongere als antiheld - Van brommernozems tot scooterjongens
gepubliceerd in De Groene Amsterdammer - 9 juli 2025
door Lofti El Hamidi
beeld door Elizar Veerman
Hangjongeren vormen de meest verguisde groep in de openbare ruimte. Maar een straatbeeld zonder is ondenkbaar. ‘Hangen is stadscultuur par excellence.’
🛵 die beste drerrie
🛵 die beste drerrie
Voordat de Franse regisseur Mathieu Kassovitz zijn debuutfilm La haineschoot, woonde hij samen met zijn filmploeg een poosje in de Parijse banlieue Chanteloup-les-Vignes. Daar zag hij tussen de kenmerkende betonnen flats een ideale filmlocatie voor zijn verhaal, over drie jongens die na een nacht van hevige rellen nog vol woede zitten vanwege een vriend die door een agent is neergeschoten. Als een antropoloog kon Kassovitz het dagelijks leven in de banlieue observeren. Zo moet hij in die multiculturele buitenwijk begin jaren negentig van dichtbij hebben gezien hoe jongeren hun tijd op straat doorbrachten, zoals in ieder geval uit veel scènes in La haine blijkt.
Neem de scène waarin buurtjongens op een afgedankte bank op het dak van een flat verse broodjes merguez eten, voordat zij door de politie worden gesommeerd om te vertrekken. Of de scène in een speeltuin, waar de drie hoofdrolspelers verveeld voor zich uit staren. Ietsjes later begint de blaaskaak van het stel ongeloofwaardig te pochen over een meisje met wie hij seks zou hebben gehad, terwijl een ander maar weer een jointje begint te draaien.
De relaxte sfeer slaat snel om zodra een voorbijrijdende cameraploeg vanuit de auto verslag wil doen van de nasleep van de nachtelijke rellen. De vrouwelijke verslaggever vraagt op afstand of de jongens aan de rellen hebben deelgenomen. Hoezo, zien we er soms uit als relschoppers? reageren ze gepikeerd. En waarom verslag doen vanuit de auto, is dit soms een safaripark? Een scheldkanonnade volgt. ‘Oprotten met die camera!’
Deze scènes waren niet alleen geloofwaardig, maar voor veel migrantenjongeren in West-Europa ook herkenbaar, wat ongetwijfeld heeft bijgedragen aan de populariteit van de film uit 1995. La haine werd voor mijn generatiegenoten uit de verarmde volksbuurten een ware cultfilm. Eindelijk een visuele weergave van hoe het dagelijks leven van de straatjongens eruitzag. Verveling, armoede en alledaags racisme: zeker. Maar ook vriendschap, humor en cultuur. Ja, cultuur, zoals de underground hiphopscene, hoe provocerend en verwerpelijk die door het gezag ook werd beschouwd. ‘Woop woop, that’s the sound of da police/ Ah ah, nique la police.’
Maakte Kassovitz nou van het hangen kunst of zag hij domweg de kunst van het hangen? Wellicht allebei, wat de film alleen maar nog genialer maakt.
Van de Parijse buitengemeente naar de binnenstad van Rotterdam. Ook in het huidige smartphonetijdperk zoeken jongens in de grote stad elkaar het liefst buiten op. Maak een wandeling tijdens een zomerse, zaterdagse namiddag in het Oude Westen van Rotterdam en kijk met de blik van een filmregisseur naar het straatbeeld. Of als een fotograaf, die voor dit verhaal op zoek is naar de ideale momentopnames. In een zijstraat van de West-Kruiskade hangen Caribische jongens voor een drukbezochte barbershop (de Amerikaanse term voor ‘kapperszaak’ is inmiddels in de grote stad gemeengoed geworden). Eentje zit nonchalant op zijn scooter, anderen wisselen luidruchtig woorden met elkaar terwijl winkelend publiek moeiteloos langs manoeuvreert.
Niet ver hier vandaan op het Schouwburgplein, lange tijd een onaantrekkelijke open ruimte, maar nu veel levendiger door het aangelegde kunstgras en grote zit/ligbanken, staan grote groepen jongeren. De voornamelijk Noord-Afrikaanse jongens zijn sportief gekleed, op een enkeling na die een groene abaya heeft aangetrokken, met een nektasje en een scheef opgezette Gucci-pet als extra accessoires. Op het moment dat de fotograaf de jongens positioneert rijden boa’s fietsend langs. De handhavers worden ludiek getrakteerd op tokgeluiden, die zij vakkundig negeren. Het is schijnbaar het ‘spel’ op straat tussen de hangjongeren en het gezag, waarbij de tolerantiegrens wordt opgezocht.
Zeg je hangjongere dan is de weerklank zelden positief. Bij de kleinburgerlijke meerderheid roept het beeld van rondhangende jongeren associaties op als schooluitval, werkloosheid, overlast en (kleine) misdaad. Google op ‘hangjongeren’ en de eerste zoekresultaten verwijzen je naar de website van de politie en naar sites die je willen helpen om van hangjongeren af te komen.
De vergelijking met een insectenplaag dringt zich op, zoals bij de website hangjongerenweg.nl, waar wordt geadverteerd met teksten als ‘een effectieve, veilige en goedkope oplossing voor overlast door hangjongeren’. Op de site worden ‘hulpmiddelen’ verkocht zoals de Mosquito, een apparaat dat een hoogfrequent geluid verspreidt om jongeren mee weg te jagen, en ‘decoratieve’ anti-zitstrips met de toepasselijke naam Caqtus.
Op zich niets nieuws onder de zon. Hangjongeren behoren al decennia tot de meest verguisde groep in de openbare ruimte. De hardwerkende Nederlander avant la lettre moest al in de jaren vijftig niets hebben van de werkschuwe en rondhangende jongeren, vooral de jongens op brommers die in stadscentra hun aanwezigheid luidruchtig lieten blijken. Deze zogeheten nozems zetten zich af tegen hun ouders en het brave burgerleven en waren niet bang om handhavers uit te dagen. De combinatie van stijgende welvaart en vrijgekomen tijd zocht bij jongeren een uitlaatklep. Met de revolutionaire wind die in de jaren zestig begon te waaien kreeg de zichtbare groep jongeren in de beeldvorming een rebelse uitstraling. Eigenzinnig, brutaal en provocerend zouden zij de weg hebben gebaand voor een generatie die naar vrijheid hunkerde. De hangjongere als antiheld.
Misschien is het romantische beeld van de generatiestrijd in de jaren zestig een van de redenen waarom er met begrip en enige weemoed naar de jongeren van toen gekeken wordt. In ieder geval kunnen de huidige hangjongeren op beduidend minder tolerantie en geduld rekenen, ironisch genoeg vaak van diezelfde generatie die prat gaat op hun opstandige jeugd meer dan een halve eeuw geleden.
Wat maakt de hedendaagse hangjongeren zo onuitstaanbaar voor veel Nederlanders, zelfs als zij niets strafbaars of anderszins onoorbaars doen? Wat is er wezenlijk veranderd? De vetkuif van de nozem is nu een strak opgeschoren coupe, de leren jas is ingeruild voor een kek trainingsjack van Paris Saint-Germain, en het favoriete vervoersmiddel is geen brommer maar een scooter of fatbike. En o ja, de hangjongere is in de beeldvorming bijna per definitie synoniem voor jongere met een migratieachtergrond.
De hele discussie rond hangjongeren op straat gaat in essentie over de inrichting van de openbare ruimte, meent onderzoeker en ervaringsdeskundige Malique Mohamud. Ik spreek hem in zijn Niteshop, een lokale bodega annex cultuur- en kenniscentrum aan de Schiedamseweg in Rotterdam-West waar kritische gesprekken plaatsvinden over de ontwikkelingen in de grote stad. Mohamud beziet de hangjeugd via de lens van ‘the culture’, een verzamelterm die het leven in multiculturele buurten beschrijft, overgewaaid uit de Afro-Amerikaanse leefwereld.
The culture is een ongrijpbaar fenomeen: soms uit het zich concreet zoals in de hiphopmuziek of straatmode, maar meestal gaat het om subtiele omgangsvormen, bewust en onbewust. Hoe je elkaar groet, hoe je loopt, welke taal je spreekt. Het is een hybride cultuur die eigen is aan de diaspora, legt Mohamud uit. ‘Altijd in beweging, met een groot aanpassingsvermogen, en tegelijkertijd invloedrijk.’ Straatcultuur is daar een wezenlijk kenmerk van, of het nou in Delfshaven, Schilderswijk, Osdorp of Woensel is.
Bekijk je de openbare ruimte vanuit dat perspectief, dan vallen heel andere dingen op. Mohamud noemt als voorbeeld zoiets ogenschijnlijk banaals als het eten van zonnebloempitten. ‘Zodra je ’s ochtends vroeg op de hoek van de straat of bij een bankje op een pleintje een berg resten zonnebloempittenschillen ziet, dan weet je: hier heeft gisteravond of zelfs in de nacht een diepgaand gesprek plaatsgevonden. Het is een bewijs van intensieve interactie, zoals je dat nou eenmaal hebt in dichtbevolkte stadswijken. Surinamers, Turken, Marokkanen, Kaapverdianen – zonnebloempitten behoren tot de algehele taal die op straat gesproken wordt. Noem het de lingua franca van veel allochtonen in de stad.’
Volgens Mohamud, zelf woonachtig in de soms roerige buurt rond de Schiedamseweg in Delfshaven, heerst er rond hangjongeren een hardnekkig onbegrip dat vaak ook leidt tot morele paniek. Hij spreekt van ‘koloniale reflexen in een postkoloniale stad’, zoals autoriteiten soms reageren op culturele ontwikkelingen op straat die als vreemd en bedreigend ervaren worden. Hun fysieke aanwezigheid in het openbaar wordt politiek gemaakt – en vervolgens schrikt het gezag als jongeren daartegen in het verweer komen. ‘Het hangen, het niksdoen, dat is een state of being. Het is een signaal dat afgegeven wordt. De jongens tonen daarmee aan dat zij hun tijd en ruimte op hun voorwaarden ontwerpen.’ Dat is in wezen een politiek statement, zegt Mohamud. Noem het antikapitalistische praxis. De hangjongere wederom als antiheld, als je wil.
Gemeentebestuurders zijn meestal hamers die alleen maar spijkers zien. ‘Dat jongens en mannen op straat ook een sociale functie hebben, ontgaat ze helemaal’, aldus Mohamud. ‘Ze vormen juist de spil in de wijk. Ze houden een oogje in het zeil, schieten je aan als zij iets vreemds opmerken. Het is ook een stukje sociale controle, gemeenschapszin. Dat wordt niet altijd op waarde geschat.’
Integendeel, zou je kunnen zeggen. Het verhaal van de strijd tegen hangjongeren is ook het verhaal van gentrificatie, het ‘opwaarderen’ van achterstandsbuurten, aldus maatschappijhistoricus Marianne Klerk. De sloopkogel is niet genoeg, het is ook het handhaven van de openbare orde. Klerk, die zich bezighoudt met stadscultuur en de gevolgen van gentrificatie, herinnert eraan dat het Pim Fortuyns Leefbaar Rotterdam was dat in 2002 campagne voerde met de slogan ‘Schoon, heel en veilig’.
‘De stad moest “opgeschoond” worden, en dat is natuurlijk een ontzettende metafoor waarachter een politiek van repressie schuilgaat’, vertelt ze. ‘Het was gestoeld op het beleid van toenmalig burgemeester Rudy Giuliani van New York om “de Ander” uit het gezichtsveld te krijgen.’ Daklozen, verslaafden, homoseksuelen met aids, ofwel iedereen die van de ‘norm’ afweek moest plaats maken voor bewoners uit de middenklasse. ‘In de postindustriële stad die Rotterdam al onder het burgemeesterschap van Bram Peper vanaf de jaren tachtig wilde zijn, moest de middenklasse uit de randgemeenten aangetrokken worden. Er moet geld verdiend worden en daarvoor moeten anderen verdwijnen zodat die gewenste middenklasse zich comfortabel kan settelen.
Daar hoorde ook een zekere retoriek bij, zoals socioloog Willem Schinkel al vroeg opmerkte. Enerzijds de pioniersretoriek, alsof het gaat om onontgonnen gebied dat eindelijk gecultiveerd kan worden door de nieuwe bewoners. De stadsmarketingslogan “Make it happen” is daar een voorbeeld van. Maar omdat het toch vaak gaat om bestaande volkswijken wordt vooral oorlogsretoriek ingezet. Dat zit in namen zoals “Bureau Frontlijn”, een gemeentelijk projectenteam, en niet te vergeten de “stadsmarinier”, een door de burgemeester aangestelde burgerambtenaar. Dat zit in de uitspraak dat de grootstedelijke problematiek in Rotterdam-Zuid “on-Nederlands” zouden zijn. Problemen die alleen aangepakt kunnen worden via een nationaal programma (Nationaal Programma Rotterdam-Zuid – red.), waar miljarden in omgaan, om het gebied te “civiliseren” op pijlers als werk, wonen en onderwijs. Vrij naar de socioloog Neil Smith: pas als je de oorlog op de inheemse bevolking hebt gewonnen, kun je de spoorlijnen gaan aanleggen.’
In die strijd werd de hangjongere sinds begin deze eeuw favoriet doelwit van (vooral rechtse) politici en wethouders met veiligheid in hun portefeuille. Rotterdam werd vlak na de eeuwwisseling de proeftuin voor allerlei repressieve maatregelen tegen overlast gevende jongeren op straat. Het aanwijzen van risicogebieden, het uitvaardigen van samenscholingsverboden, preventieve fouilleeracties door de politie en extra camerabewaking behoren sindsdien tot het standaardpakket law and order. Niet zelden werd aan het ‘probleem’ impliciet en expliciet een etnische component gekoppeld, met name als het ging om Marokkaanse en Antilliaanse jongeren. Neem de aanpak van straatintimidatie. Als justitieminster probeerde Dilan Yeşilgöz straatintimidatie strafbaar te stellen, waar ze eerder als raadslid in Amsterdam in navolging van Rotterdam voor een ‘sisverbod’ pleitte. Dat het mannen zijn die jonge vrouwen lastigvallen is een gegeven, maar de VVD stelde ook een ‘profielonderzoek’ voor om ‘andere labels’ te kunnen benoemen. Onderzoeken zouden bijvoorbeeld suggereren dat ‘personen met een Marokkaanse afkomst’ oververtegenwoordigd zijn.
Radicaal-rechtse politici hebben minder moeite met het ‘benoemen’. Geert Wilders rept al jaren over ‘Marokkaanse straatterreur’ en straten die ‘heroverd’ moeten worden. Thierry Baudet heeft het herhaaldelijk over de ‘problemen in de binnensteden’, waarschijnlijk een anglicisme voor ‘inner cities’, in de Verenigde Staten een politieke hondenfluit voor grootstedelijke problematiek rond etnische minderheden.
Nederland volgde in dat opzicht het Verenigd Koninkrijk, dat al vanaf de jaren zeventig repressie als beleidsinstrument inzet om maatschappelijke crises het hoofd te bieden. Over deze ontwikkeling schreef de Brits-Jamaicaanse cultuurcriticus en socioloog Stuart Hall in zijn boek Policing the Crisis (1978), over hoe morele paniek rond enkele geruchtmakende roofovervallen (‘mugging’) begin jaren zeventig leidde tot de opkomst van het thatcherisme. Het economische en politieke verval in Engeland werd gekoppeld aan een algehele maatschappelijke verloedering. Migratie, misdaad, drugsverslaving en het verkwanselen van normen en waarden zouden nauw met elkaar verweven zijn. Het thatcherisme creëerde zo een voedingsbodem voor een harde aanpak, waarbij vooral tegen de zwarte jeugd op straat streng werd opgetreden.
Het fortuynisme hanteerde bijna een identieke probleemanalyse als het thatcherisme. Zo werd de relatieve oververtegenwoordiging van criminele Marokkaanse jongens in de grote steden in de jaren negentig niet alleen de schuld van rechters en maatschappelijk werkers met ‘fluwelen handschoenen’, maar onderdeel van een grotere crisis in normen en waarden. De aanwezigheid van jongens met een migratieachtergrond op straat werd bij voorbaat geproblematiseerd, met als gevolg een zeer negatieve perceptie van hangjongeren in het algemeen.
Malique Mohamud denkt dat er ook een op het eerste gezicht onwaarschijnlijke overlap bestaat tussen de bevolkingsgroep die met de harde aanpak geconfronteerd wordt en de groep die daarmee bediend zou worden. ‘Ik heb het over de achterban van partijen als Leefbaar en de PVV, mensen die het gevoel hebben dat hun leefwereld wordt ontnomen. Uit die zogenaamde postindustriële stad is een ressentiment ontstaan en opgebouwd. Tel daarbij op de morele paniek waarmee deze mensen geïnjecteerd worden en je begrijpt hoe de zondebok wordt gecreëerd. Dit moet je wel in ogenschouw nemen als je het hebt over de perceptie van jonge mannen van kleur in de publieke ruimte. Grote kans dat die “oorspronkelijke” bewoners de nozems van weleer waren, van wie ongetwijfeld ook een aanzienlijk deel “volkse types” waren. Mensen die nu Leefbaar en PVV stemmen, of SP.’
Er is nog een terugkerend element in de discussie over de fysieke aanwezigheid van jongemannen op straat: masculiniteit. In 2013 vond wethouder Hamit Karakus (Wonen, PvdA) dat Rotterdam een feminine touchontbeerde, of zoals hij het zelf plat formuleerde: de stad kon wel wat meer ‘tieten’ gebruiken. De buitenruimte zou volgens hem te mannelijk zijn. Ironisch genoeg moest die gewenste ‘feminisering’ op masculiene wijze afgedwongen worden door middel van samenscholingsverboden, gehandhaafd door boa’s en agenten.
De Rotterdamse gemeente creëerde niet veel later de zogeheten ‘City Lounge’, de herinrichting van de binnenstad om de ‘levendigheid, gastvrijheid en woonkwaliteit te verbeteren’. Net als met veel gemeentelijke campagnes rijst de vraag: voor wie? Is ‘loungen’ wezenlijk iets anders dan ‘hangen’, vroegen sociologen Marguerite van den Berg en Danielle Chevalier zich enkele jaren geleden af in een artikel over deze campagne. Een retorische vraag.
Een foto op de brochure over de City Lounge liet het Schouwburgplein zien gevuld met een grote groep deelnemers aan een yoga-klas op een zondagmorgen – deze vorm van recreëren schaarde de gemeente kennelijk onder de noemer ‘loungen’. Tegelijkertijd gold op een steenworp afstand in het Oude Westen een samenscholingsverbod. Jongens mochten niet op hun manier samen ‘loungen’ in hun eigen buurt.
De komst van de middenklasse heeft het aangezicht van de stad onmiskenbaar veranderd – strakker, veiliger, hipper – maar met een merkwaardig neveneffect. In de discussie over gentrificatie en de openbare ruimte gaat het namelijk ook over wat er verloren gaat. En leden van de middenklasse trekken zich dat verlies aan, analyseert Marianne Klerk. ‘Eerst worden zij naar de stad gelokt met niet alleen de belofte van fijn wonen en sociale voorzieningen, maar ook dat zij zich kunnen laven aan een authentieke omgeving, een plek met spannende rafelranden. Dan komen ze erachter dat hun aanwezigheid juist die rafelranden doet verdwijnen.’
Ze ontwikkelen vervolgens een schuldgevoel, wat Klerk ‘Stadtschmerz’ noemt. ‘Wat je dan ziet is dat de yup als flaneur door de stad trekt, op zoek naar authentieke tentjes, de couleur locale, de zogenaamde rauwe randjes.’
In navolging hiervan vraagt Klerk zich af: wie mag er flaneren? Wie mag stilzitten en niks doen zonder beschouwd te worden als een probleem? Wanneer is een hangjongere ongewenst? ‘Al die maatregelen blijven elkaar maar opvolgen’, zegt Klerk. ‘Wanneer is het een keer genoeg? Hoezo deze permanente repressie?’
Die houding bewijst volgens haar dat de gemeente een deel van de stadsbewoners als ‘niet goed genoeg’ kwalificeert. ‘Maar dan kijk ik bijvoorbeeld naar de Kruiskade en dan denk ik: kunnen we niet accepteren dat dit meer dan goed genoeg is? De hangjongeren die steevast negatief worden neergezet zijn gewoon keihard aan het flaneren. Dat is stadscultuur par excellence.’

